Feiten en cijfers (aanstaande) artsen M/V

Feiten en cijfers (aanstaande) artsen m/v 2011

Van 2009 tot en met 2013 werkte ik als documentalist voor het ‘VALUE’-project van de Vereniging van Nederlandse Vrouwelijke Artsen (VNVA). Een van mijn werkzaamheden was het samenstellen van de publicatie Feiten en cijfers over aanstaande artsen M/V.

Het werk werd uitgevoerd bij Vrouwenstudies Medische Wetenschappen, op de afdeling Eerstelijnsgeneeskunde van het Universitair Medisch Centrum Nijmegen (UMCN). Ik was verantwoordelijk voor het digitale kenniscentrum VALUE (Vrouwelijke Artsen Loopbaan Up-to-date en Evaluatie). Het werk bestond uit het verzamelen van literatuur en cijfermateriaal betreffende vrouwelijke artsen en alle aspecten van hun loopbaan. Daarnaast hield ik de website en de literatuurdatabank van het kenniscentrum VALUE up-to-date. Verder heb ik er thematische bibliografieën samengesteld over de verschillen tussen mannelijke en vrouwelijke artsen.

Een belangrijk onderdeel van mijn werkzaamheden bestond uit het samenstellen van de publicatie Feiten en cijfers over (aanstaande) artsen M/V. In juni 2010 verscheen die publicatie voor het eerst. In mei 2011 is er een update van verschenen. Daarnaast is de publicatie in het Engels vertaald.

Enkele opvallende bevindingen in de publicatie van 2011:

  • vrouwelijke artsen zijn meer gaan werken in de periode januari 2007 – januari 2010. Vrouwelijke huisartsen: van 0,57 fte naar 0,64 fte. Vrouwelijke medisch specialisten: van 0,79 fte naar 0,82 fte.
  • Tussen 2007 en 2010 is het percentage geregistreerde vrouwelijke artsen met 3% toegenomen tot 37%, met als grootste stijgers de medisch specialisten en de huisartsen (ieder met 4%). In diezelfde periode is het percentage vrouwelijke artsen in opleiding met 2% toegenomen tot 60%, met als grootste stijgers de specialisten ouderengeneeskunde (+10%) en de medisch specialisten (+4%).
  • Vrouwelijke medisch specialisten hebben een hoge carrièremotivatie en meer uitgesproken ambities (streven naar een topfunctie, hoog salaris) dan bijvoorbeeld huisartsen.
  • Hoewel er steeds meer vrouwelijke artsen en studenten bij komen, is het aandeel vrouwen in de top van de zorg erg laag: 6-14%. In 2008 was 11,7% van de hoogleraren vrouw, bij de Universitaire Medische Centra (UMC’s) was dat 12,9%. In de raden van bestuur van de UMC’s is slechts 6,9% vrouw. Ook blijven er beloningsverschillen bestaan.
  • In een aantal medisch specialismen zouden tekorten kunnen ontstaan omdat hier het minste aantal vrouwelijke aios zijn ingeschreven in het opleidingsregister. Het betreft: cardiothoracale chirurgie, orthopedie, heelkunde, cardiologie en neurochirurgie. In deze specialismen en in urologie is tevens het kleinste aantal geregistreerde vrouwelijk medisch specialisten werkzaam.

 

Hieronder staan de links naar de 3 publicaties:

Feiten en cijfers over (aanstaande) artsen 2011 M/V 2011

Facts and figures about (prospective) physicians M/F 2011

Feiten en cijfers over (aanstaande) artsen M/V (2010)